Nadat een kleermaker haar heeft verteld over zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, duikt Marli Huijer in de geschiedenis van de straat waar ze dertig jaar woonde. Er werden 137 Joodse bewoners uit gedeporteerd en vermoord. Door diezelfde straat lopen nu de bezoekers naar de moskee om de hoek. De antidemocratische wind van de laatste jaren zet opnieuw de positie van vluchtelingen, migranten, Moslims en ook weer Joden onder druk.
Huijer is emeritus hoogleraar Publieksfilosofie en voormalig Denker des Vaderlands. In haar boek onderzoekt ze de mechanismen waarmee we elkaar tot vijand maken. Welke muren trekken we op? Hoe creëren we daar openingen in? Maar vooral: wat kunnen we doen om veerkrachtige samenlevingen op te bouwen waarin iedereen zich beschermd weet?
Op 14 oktober gaat directeur van Patta Academy Fatima Elatik in gesprek Marli Huijer over haar nieuwe boek. Net zo nieuwsgierig als wij? Lees hier (exclusief!) een van de hoofdstukken.
**
Kan het weer gebeuren? Die vraag is niet alleen historisch. Zij dringt zich op wanneer in het heden opnieuw groepen mensen steeds nadrukkelijker worden gereduceerd tot één identiteit. Dat vraagt om een ander verhaal. Niet over Moslims als de nieuwe Joden, maar over hoe groepen mensen tot onderwerp worden gemaakt van politiek denken en handelen. Daarom zijn de woorden die Arnon Grunberg tijdens de Dodenherdenking in 2020 uitsprak zo belangrijk:
‘Als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het ook over mij.’ In het vanwege de coronamaatregelen vrijwel lege Paleis op de Dam verzette hij zich tegen iedere vorm van spreken waarin mensen worden gereduceerd tot de groep waartoe ze zouden behoren.
En het is ook logisch dat als er wordt gesproken over bepaalde bevolkingsgroepen op een manier die doet denken aan de duistere tijd uit de twintigste eeuw, als dat gewoon is geworden, er vroeg of laat op die manier ook weer over Joden gesproken kan worden.
Niet iedereen nam hem zijn woorden in dank af. Op de sociale media werd hij ervan beticht Marokkanen tot de nieuwe Joden te maken. Een veelgehoord argument: het bekritiseren van de negatieve benadering van Moslims zou hen tot slachtoffer maken, terwijl juist zij volgens de critici de nieuwe antisemieten zijn. Dat argument doet precies waarop Grunberg wijst, het reduceert álle Marokkaanse Nederlanders tot de groep waartoe zij zouden behoren en bestempelt hen állen tot antisemieten. Aandacht vragen voor discriminatie of achterstelling van mensen met een achtergrond in islamitische landen komt zo gelijk te staan aan antisemitisme. Een argument dat sinds 7 oktober 2023 aan kracht heeft gewonnen, wie zich kritisch uitlaat over de vernietigende wraak van Israël op de merendeels Moslimse bevolking van Gaza wordt al snel ‘antisemiet’ genoemd.
Zijn woorden raken aan een bredere vraag die ook Arendt bezighoudt. Wat gebeurt er wanneer mensen niet langer worden gezien als individuele burgers, maar allereerst als lid van een groep? Juist in de reductie van mensen tot de ene groep of categorie schuilt het grootste gevaar, merkt Grunberg op. Hij beroept zich daarbij op Primo Levi, maar dat had evengoed Hannah Arendt kunnen zijn. Keer op keer laat zij zien dat de ontkenning van de meervoudigheid (pluraliteit) van mensen, hun standpunten, overtuigingen en leefstijlen het gevaar van totalitarisme en daarmee van totale onvrijheid in zich draagt.
Dat inzicht geldt niet alleen voor de mensen die doelwit worden gemaakt, maar evenzeer voor degenen die bijdragen aan dat denken. Ook ‘de antisemiet’ of ‘de anti-islamiet’ bestaat niet. Er is niet één ideologie of één vijand die zich tegen Joden keert, noch één ideologie of één vijand die zich tegen Moslims keert, maar er zijn veel mensen, groepen, organisaties, politici en partijen die zich op uiteenlopende wijzen negatief uitlaten over ‘Joden’ en/of ‘Moslims’. Of over alle ‘minderheden’: Joden, Moslims, vluchtelingen, transgenders, intellectuelen et cetera. Toch kan uit die veelkoppige menigte een eensluidende haat tegen bepaalde groepen mensen opklinken.
Deze kwesties bleven me bezighouden. Uit bezorgdheid over de groeiende weerzin tegen islamitische medeburgers begon ik in 2018 aan een boek over de islam in Europa. Mijn omgeving deelde mijn zorg niet. Integendeel, als de islam meer invloed kreeg vreesden ze dat dit ten koste zou gaan van de vrouwen- en homo-emancipatie. Die vrees leek mij niet ongegrond en dus
las ik consciëntieus de vele boeken waarin wordt gewaarschuwd voor massa-immigratie. Het antwoord op de vraag hoe een democratie álle inwoners kan beschermen, onafhankelijk van hun culturele of religieuze verwantschap, vond ik daarin echter niet. ‘Maak je geen zorgen,’ zei een hoogleraar politicologie in 2020. We zaten aan een diner met vluchtelingen in Galerie Weesperzijde, om de hoek van de Gijsbrecht van Aemstelstraat. ‘Het gaat heel goed met de Moslims in Nederland. Het anti-islamdiscours is op zijn retour.’
Hij kreeg gelijk: de coronapandemie brak uit en niemand sprak nog over de dreiging van de islam, over massa-immigratie of omvolking. Waar het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie in 2016 zich nog uiterst bezorgd toonde over de verharding van het publieke en politieke debat over Moslims en over het gemeengoed worden van voorheen onacceptabele denkbeelden, liet de pandemie het anti-islamgeluid en de bezorgdheid hierover verstommen. Alsof de ene vijand voor de andere was ingeruild.
Maar zodra de pandemie voorbij was, keerde de anti-immigratie- en anti-Moslimretoriek terug. Te beginnen met de voorman van de Duitse anti-islamorganisatie Pegida, die het wereldnieuws haalde door voor het gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag een Koran te verscheuren. Dat een enkeling tot zoveel haat kan aanzetten is beangstigend. Radicaal- en extreemrechtse partijen dragen sindsdien het anti-islam- en anti-Moslimgeluid weer op luide toon uit. De andere partijen spreken dat weinig tegen, buigen mee of doen zelf discriminerende uitlatingen over Moslims – denk aan de motie van
VVD-Kamerlid Bente Becker (december 2024) om de culturele en religieuze normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden. In alle geledingen van de Europese samenleving is het normaler geworden om tegen Moslims te zijn. Discriminatie op de arbeidsmarkt, woningmarkt, in het onderwijs en de gezondheidszorg zijn zo gewoon geworden dat Moslimse minderheden nu behoren tot de meest gestigmatiseerde groepen in Europa. Agressie tegen moskeeën is al even ‘normaal’, steeds vaker ervaren mensen bedreigingen vanwege hun ‘Moslim-zijn’ en hebben ze het gevoel er niet echt bij te horen. Vooral vrouwen met hijabs zijn doelwit van fysieke bedreiging en geweld. Ook publicisten die zich uitspreken tegen discriminatie en geweld krijgen met bedreigingen te maken.
Deze ontwikkelingen blijven niet onopgemerkt. Steeds vaker trekken journalisten, schrijvers en wetenschappers die zelf ervaring hebben met Moslimdiscriminatie parallellen met de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. In Galmende geschiedenissen (2025) spreekt de antropoloog Sinan Çankaya, die zichzelf ‘cultureel moslim’ noemt, over ‘historische continuïteiten’ en ‘dwarsverbanden tussen het racisme van toen en nu’. De Holocaust is voor hem een van de eindpunten van racisme. De les die we ervan leren is dat de ontmenselijking nooit is opgehouden te bestaan, ‘ze volgt hetzelfde destructieve patroon, vermomd als dagelijkse politiek en gewone uitspraken, gericht op nieuwe groepen: moslims, vluchtelingen, asielzoekers’.
De historicus en journalist Lotfi El Hamidi schrijft in Stakkers en wolven. In de schaduw van Gaza (2026) dat de geschiedenis ‘zo nu en dan rijmt’. Als voorbeeld noemt hij de steun die de Nederlandse regering geeft aan de daders van de genocide in Gaza. De diepe minachting voor islamitische mensenlevens is angstaanjagend, een herinnering aan de donkerste perioden uit de vorige eeuw. Mochten er ooit concentratiekampen terugkeren in Europa, dan lijdt het geen twijfel over wie daarin terecht zullen komen.
Die vergelijkingen roepen steevast verontwaardiging op. Ten onrechte, want opnieuw worden mensen gereduceerd tot een enkele groep of categorie en tot mikpunt gemaakt van radicaal- en extreemrechtse partijen en bewegingen. Naarmate hun aanhang groeit, zijn zij minder beschroomd om tot geweld aan te zetten of het te gebruiken. Zeker als blijkt dat intimidatie en geweld werken en leiden tot een strenger migratiebeleid, aanpassing van de asielopvang of hogere eisen aan de integratie van migranten. De rechtsbescherming tegen deze intimidatie en dit geweld schiet in veel gevallen tekort.
‘Mijn ervaring laat een hardnekkige realiteit zien waarmee duizenden moslims in Nederland dagelijks worden geconfronteerd: anti-moslimracisme,’ schrijft de publicist Ahlam Benali in 2025 nadat ze vanwege haar hijab werd geschopt en geslagen. ‘Want alle woorden over diversiteit en inclusie ten spijt, faalt Nederland in het beschermen van zijn moslimburgers.’
Die bescherming faalt ernstiger naarmate de democratische rechtsorde aan kracht verliest. En juist daar mikken radicaal- en extreemrechtse partijen en politici op. Eenmaal aan de macht halen ze de fundamenten van de democratie onderuit; de rechtsorde, de onafhankelijke pers en wetenschap, de overheid en het parlement worden ontmanteld en vervangen door het dictaat van de politieke leider en diens partij. De bescherming van minderheidsgroepen, die in de democratie grondwettelijk, wettelijk en in internationale verdragen is vastgelegd, valt daarmee weg. Parallel aan de jaren dertig, toen de natiestaten faalden om de Joodse Nederlanders te beschermen, staat nu de democratische, rechtsordelijke bescherming van Moslimse Nederlanders onder druk.
De vraag is daarom niet alleen of deze vergelijkingen terecht zijn, maar vooral waardoor zulke patronen opnieuw zichtbaar worden. Wat is er gaande in het huis van Nederland en Europa? Kan de normalisering van het anti Moslimgeluid in combinatie met de falende democratische rechtsbescherming op den duur ertoe leiden dat dit geluid als belangrijkste politieke gedachtegoed in heel Nederland en heel Europa brede instemming krijgt? Welke ‘elementen’, om met Arendt te spreken, dragen eraan bij dat weerzin tegen Moslimse of Joodse mensen tot onderwerp wordt van publiek en politiek debat (‘een kwestie’)? In de volgende hoofdstukken ontrafel ik de stappen waardoor een specifieke religieus-culturele groep tot mindere mensen wordt gemaakt: door hun het verblijf te ontzeggen ten gunste van de gevestigde bevolking; door hen uit te sluiten van de sociale en politieke gemeenschap; door hen te maken tot de Ander en tot een politieke kwestie, en vervolgens tot het projectiescherm voor vriend- en vijanddenken. Wanneer dan ook de atmosfeer vergiftigd raakt, nemen de discriminatie en de kans op verwijdering verder toe.
Tegelijk zoek ik naar een tegengift niet een nieuw vijandbeeld, maar manieren waarop een samenleving voorkomt dat mensen tot een ‘kwestie’ worden gemaakt. Dáár is de remedie tegen het vijanddenken te vinden.
**