Het systeem kraakt. Het kan anders. Woningnood, klimaatschade, hoge energieprijzen. Het nieuws springt van de ene crisis naar de andere. We noemen het pech. Maar het is een patroon. En uiteindelijk een keuze.

Dit is geen crisis is geen handboek voor wereldverbeteraars met te veel vrije tijd. Het is voor wie voelt dat er iets knarst, maar niet weet waar te beginnen: de econoom die twijfelt aan zijn modellen, de beleidsmaker die de instrumenten tekort ziet schieten, de ondernemer die het anders wil, de burger die denkt: dit kan toch zoveel beter.

Op 3 november presenteert Hans Stegeman zijn nieuwe boek in Pakhuis de Zwijger en gaat hij hierover in gesprek met o.a. Anoek Nuyens, Christine Teunissen en Noortje Thijssen. Alvast spieken? Lees hier de voorpublicatie van Dit is geen crisis.

** 

Als je het eenmaal ziet…
Er zijn dingen die je niet kunt ‘ontzien’ nadat je ze gezien hebt. Het kan daarbij om iets kleins gaan. Dat een augurk en een komkommer eigenlijk dezelfde vrucht zijn.  

Of dat je je eigen neus de hele dag in je gezichtsveld hebt, maar je hersenen hem wegfilteren. Soms duurt het wat langer. Je denkt dat je bent opgegroeid in een wijk met straten vernoemd naar belangrijke mensen, totdat je er vijftig jaar later achter komt dat de Jonathanstraat gewoon naast de Goudrenetstraat ligt. Maar wat geldt voor dit soort kleinigheden, geldt des te meer voor grote inzichten. Inzichten die je blik op de wereld veranderen.

Voor mij was zo’n inzicht dat de economie, mijn vakgebied, volledig afhankelijk is van de natuur en de sociale samenhang, terwijl we doen alsof dat niet zo is. Die twee zaken zijn geen ‘externe factoren’, zoals de meeste economische modellen suggereren. Ze zijn niet het achtergronddecor voor economisch handelen, maar een fundamentele voorwaarde. Zonder gezonde ecosystemen geen productie. Geen arbeid. Geen energie. Geen geld. Geen leven. Zonder gezonde sociale relaties en samenhang geen samenleving. Geen vertrouwen. Geen welzijn.

Ik heb economie gestudeerd en daarna gewerkt bij een vakbond, bij het Centraal Planbureau, bij banken en in vermogensbeheer. In mijn werk hield ik me bezig met modellen, beleidseffecten en rendementen, met het duiden en voorspellen van economische ontwikkelingen. Ik kende de parameters, de techniek, het jargon. En hoewel ik me er vaak ongemakkelijk bij voelde om de werkelijkheid te reduceren tot abstracte grootheden, negeerde ik dat gevoel. Ik dacht dat het erbij hoorde. Dat het ‘professioneel’ was. Ik accepteerde dat een model altijd een vereenvoudiging is. Dat je alleen iets kunt zeggen als je eerst een heleboel weglaat.

Maar gaandeweg werd ik me steeds sterker bewust van de kloof tussen zulke abstracte modellen en de wereld waarin mensen leven. Tussen hoe ik de economie leerde zien en hoe mensen haar ervoeren. Een model dat draait om bbp-groei, inflatie en overheidstekorten zegt weinig over de kwetsbaarheid van ecosystemen of de ongelijkheid op straat. En toch zijn het precies zulke modellen die beleid sturen, financiële beslissingen vormgeven en daarmee uiteindelijk bepalen hoe onze samenleving eruitziet.  

De wereldproblemen, besefte ik, laten zich niet reduceren tot iets abstracts. Of beter: datgene wat we dan wegreduceren, is juist precies wat er het meest toe doet.

De eerste keer dat dit echt tot me doordrong, was tijdens de financiële crisis van 2008 tot 2009. Ik werkte bij een financiële instelling en sprak avond na avond met klanten over de ontwikkelingen. Dat was mijn werk: uitleggen hoe het kon dat het financieel systeem de wereldeconomie aan de rand van de afgrond had gebracht. Ik noemde het – terecht, denk ik nog steeds – de grootste economische crisis sinds de jaren dertig. Ik maakte me oprecht zorgen over de structurele risico’s, over wat het zou betekenen voor de werkgelegenheid, de bestaanszekerheid en het vertrouwen in instituties. Maar de reacties die ik kreeg waren verbijsterend oppervlakkig. Wat mensen wilden weten: wanneer was het koopmoment? Wat gingen de koersen doen?

Het was een les in hoe smal en technisch het economisch discours was geworden. En ook een les in iets anders: hoezeer het perspectief was verschoven van samenleving naar individu.

Rond 2013 dook ik de circulaire economie in. Niet extraheren, gebruiken, weggooien, maar hergebruiken, langer gebruiken, recyclen. Wat begon als nieuwsgierigheid groeide uit tot een fundamentele kanteling in mijn denken. Ik ontdekte een heel veld van economische wetenschappen dat mijn opleiding had overgeslagen. Een wereld die haaks stond op alles wat ik had geleerd.

Ik begon anders te kijken. Naar cijfers, beleid en organisaties. En vooral naar de taal die we gebruiken. We praten over ‘kosten en baten’, maar wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Wat telt als een kostenpost? Wat telt als een opbrengst? Waarom valt het vernietigen van een bos niet onder de economische ‘kosten’, maar is het bouwen van een snelweg wél een ‘investering’? Waarom is zorgen voor een zieke ouder informele arbeid, en het bedienen van een algoritme op de beurs ‘toegevoegde waarde’? Ik kon het niet meer ontzien.

Deze vragen bleven maar knagen. Ze raakten aan wat economie eigenlijk is: een ordening van menselijke interactie. Een reflectie van waarden. En dus: fundamenteel normatief en politiek.

Ik begon te beseffen dat wat wij ‘economie’ noemen in feite een verzameling keuzes en regels is. Keuzes over wie wat mag bezitten, wie wat mag produceren, wie wat mag gebruiken en onder welke voorwaarden. Die ‘spelregels’ vormen de structuur van onze samenleving: wie macht heeft en wie minder, wat we eerlijk vinden. En dan volgt de onvermijdelijke vraag: wie bepaalt zulke spelregels?  

Het was op dat punt dat mijn persoonlijke kanteling ook een professionele kanteling werd. Ik kon niet langer meewerken aan beleid dat zich uitsluitend richtte op het optimaliseren van groeipercentages zonder er rekening mee te houden wat er groeide, voor wie en ten koste van wat. Ik kon niet langer zinnig bijdragen aan een hoogoplopende discussie over geschatte kwartaalcijfers voor economische groei. Ik kon niet langer schrijven over ‘gunstige economische vooruitzichten’ als ik wist dat die vooruitzichten gebaseerd waren op uitputting van natuurlijke hulpbronnen en toenemende sociale ongelijkheid. Hoezo gunstig?

Ik verdiepte me verder in alternatieve economische modellen. In postgroei, in commons-gebaseerde systemen, in nieuwe manieren van waarderen. Ik ontdekte een groeiende gemeenschap van economen, activisten, ondernemers, beleidsmakers en burgers die aan een andere economie werkten. Ik ontmoette boeren die landbouwbedrijven runden zonder gif of kunstmest. Burgers die hun eigen energiecoöperatie oprichtten. Gemeenteambtenaren die hun beleid baseerden op ‘brede welvaart’ in plaats van louter economische groei.

En ik begon zelf ook steeds meer te schrijven. Eerst aarzelend, soms nog in de taal van het oude model. Maar gaandeweg steeds vrijer.

Ik ben niet alleen. Velen zitten in datzelfde proces van zien van wat we eerst niet zagen. We weten wat de grote problemen zijn, zoals klimaatverandering, het verlies van natuur en het verdwijnen van de onderlinge solidariteit. Twintig jaar geleden was wellicht vol te houden dat je je niet bewust was van duurzaamheidsproblemen of een eroderende samenleving, maar nu het bewijs zich opstapelt, is dat onhoudbaar. En velen weten inmiddels echt wel dat ons huidige economisch model niet vol te houden is. Maar minder duidelijk is hoe we los kunnen komen van dat systeem. En vooral hoe we moeten zoeken naar wat wél werkt.  

We weten dat het systeem faalt. We voelen dat doorgaan op de oude weg tot onherstelbare schade leidt. Maar we weten vaak nog niet hoe het anders kan. We missen de taal, de beelden, de kaders.

**

Op dinsdag 3 november presenteert Hans Stegeman zijn nieuwe boek en gaan we erover in gesprek met o.a. Anoek Nuyens,Christine Teunissen, Noortje Thijssen en het publiek. Dat wil je niet missen! Reserveer je plek aan via deze link.