Als Mohammed Benzakour verneemt dat zijn moeder nooit meer volledig zal genezen van een herseninfarct, wandelt hij terneergeslagen door het park. Plots hoort hij een jubelend geluid dat hij nauwelijks kan thuisbrengen. Vanuit een boomtop kwinkeleert een vogeltje alsof het hem wil opfleuren. Benzakour vergeet voor even zijn verdriet.

Tussen hem en het vogeltje, dat hij Agilouz noemt, ontstaat een ongewone vriendschap. Vol overgave stort Benzakour zich op het vogelen. De koekoek, het winterkoninkje, het prachtvinkje; steeds weer raakt hij verliefd. Hij leest, hij gluurt, hij peinst, hij fantaseert. Wanneer hij hoort dat er in vogelparadijs Indonesië méér exemplaren in kooitjes zitten dan er rondvliegen, besluit hij daar eigenhandig wat aan te doen en pakt de koffers. Maar hoe verstandig is dat? Kunnen die vogels in het wild wel overleven? Is het wel zo kies om andermans vogels stiekem los te laten?

Het lied van Agilouz is een lyrisch schelmenverhaal. Een bezielende ode aan vrijheid, wildheid en dromen. Een must voor iedere vogelvriend. Op donderdag 12 november presenteert schrijver en socioloog Mohammed Benzakour zijn boek Het lied van Agilouz en gaat hij in gesprek met experts van de Dierenbescherming, en met Carel ten Cate: oud-hoogleraar gedragsbiologie en schrijver van Vogelgeluiden ontrafeld. Kan je niet wachten? Hieronder lees je al een fragment uit zijn roman.

***

Het uur van de wolf. Hier en daar blafte een hond en aan de hemel fonkelde een uitzonderlijk heldere ster, dat moest Sirius zijn. Die was zo vriendelijk mij bij te schijnen, net als de maan. Ik parkeerde de scooter recht onder de kooi en ging op het zadel staan. De tang hoefde niet, de kooi bleek niet op slot. Hier werden de mensen nog vertrouwd. Balancerend op het zadel kon ik de kooi net van de haak tillen. De jalak putih, een magnifieke geelwitte spreeuw, kraste en klapperde driftig met zijn vleugels.

„Rustig maar.”

Snel zette ik de kooi neer op de treeplank van de scooter en prikte de envelop met daarin een brief en bankbiljetten aan de spijker vast. Alles ging gesmeerd. In de brief stond, in het Indonesisch:

Beste meneer, Ik heb mijn best gedaan uw putih vrij te kopen, maar u bleef koppig weigeren. Dan maar zo, vergeef mij. De putih ga ik niet voor mezelf houden. Deze vogel hoort thuis in de bergen en onder de hemel. Niet onder uw luifel. Ik zal hem teruggeven aan de rechtmatige eigenaar, het bos. Zonder de boom sterft de vogel, zonder vogel sterft de boom.

Ik weet dat u lief bent voor de putih, maar de ziel van een vogel bewoont een ander lichaam dan de onze. De putih moet zijn vleugels uitslaan anders sterft hij inwendig. Dat vindt Boeddha ook. Koopt u met dit geld alstublieft geen nieuwe vogel, maar geef uw vrouw een cadeau, een mooie ketting, een glitterjurk.

Als u opnieuw een vogel opsluit, kom ik terug in de nacht. Ik kan als een kat over muren en daken klimmen. Ik vraag u nogmaals om vergeving.

De brief sloot ik af met een oud-Indonesisch spreekwoord: ‘Een lotusbloem is het sieraad van het water; gloed het sieraad van de zon; een wonde het sieraad van de held; een vogel het sieraad van het luchtruim.’

Ik reed weg tot aan de rand van het bos, waar ik het deurtje opengooide. Langs zijn verenkleed floot een bries en de putih loste op in de duisternis.

***

Naar aanleiding van dit boek en de documentaire Vogelvrij organiseren we een avond over de belangrijke ethische, sociale en culturele vragen rond onze omgang met vogels, en de opsluiting van deze diersoort.  Kom meepraten! Meld je aan voor Vogeltaal op donderdag 12 november. Tot dan!