Hoe is het om jong te zijn en te willen wonen in de grote stad, terwijl de woonopgave groter is dan ooit? Dinsdag 3 november gaan we in gesprek met jonge pioniers en ervaren probleemoplossers. Meld je hier aan voor het programma, om 19:30 bij Pakhuis de Zwijger.
De Thuisloze Generatie
“Voordat ik mijn studio vond, hospiteerde ik 23 keer bij huizen met huisgenoten (…) Na die 23ste afwijzing gaf ik het op en tekende ik voor een studio”, schrijft Maud Stamsnijder in haar opiniestuk in de Volkskrant. Mauds verhaal zal bij een hoop jonge mensen bekend voorkomen. Eindeloos lang zoeken naar een woning, het liefst samen met andere jonge mensen met wie je de eerste stappen van je volwassen leven kan ontdekken. Het is een zoektocht waarbij jongeren in veel gevallen gedesillusioneerd achterblijven.
De woonopgave staat niet voor niets al jaren hoog op de politieke agenda. Door het gebrek aan sociale huurwoningen kunnen vooral in grote steden zoals Amsterdam jonge mensen steeds moeilijker de woningsector betreden. Waarom raakt de woonopgave vooral jongvolwassenen extra hard en waarom is het hard nodig ze bij de oplossingen te betrekken?
Amsterdam als Sociale Huurstad
Amsterdam heeft lange tijd het imago gehad van een rechtvaardige, inclusieve huurstad. De stad kent een geschiedenis waarin crises van woningnood zich meerdere keren aandienden, maar steevast werd dit gevolgd door gemeentelijke regie in sociale huisvesting. Door de Woningwet van 1901, die van kracht ging na jarenlange filantropie vanuit religieuze motivatie, werd volkshuisvesting een verantwoordelijkheid van de gemeentes zelf. Onder leiding van de socialistische wethouder Floor Wibout werd grootschalige volkshuisvesting een nastreefbaar ideaal en door architecten zoals Van der Pek en Berlage werd kwalitatief goed wonen (een huis met rust, ruimte en groen) voor een grote groep Amsterdammers gerealiseerd.
Ook kort na de oorlog werd in Amsterdam actief nagedacht over sociale huisvesting als meer dan alleen een dak boven je hoofd. Voor jonge mensen werd op kamers gaan gezien als een noodzakelijke stap naar zelfstandigheid. De overheid bemoeide zich daardoor nadrukkelijk met het vormgeven van de studentenhuisvesting. Belangrijke elementen van een sociale woning voor jongeren waren gedeelde voorzieningen en diversiteit in studierichting, leeftijd en levensbeschouwing. Hoewel de ideeën van toen niet altijd even inclusief waren (woningen voor mannen kregen voorrang op die van vrouwen), was de maatschappelijke visie duidelijk gericht op kwalitatief goed samenleven.
Generation Rent
Toch is het plaatje van Amsterdam als de sociale huurstad in de loop der tijd afgebrokkeld. Op dit moment wordt om de positie van jongvolwassenen te beschrijven vaak verwezen naar Generation Rent. Dit begrip verwijst naar een wereldwijd fenomeen waarbij jonge mensen vaker terechtkomen in de private huursector dan voorgaande generaties, omdat ze moeilijker toegang hebben tot sociale huurwoningen en geen huiseigenaar kunnen worden.
Een grote factor die hierbij een rol speelt, is de jarenlange liberalisering van de woningsector. [1] Privatisering en rendementsdenken zijn de huizensector keihard binnengedrongen en dit resulteerde in de loop der jaren in het verdringen van vele sociale huurwoningen. Het overgrote deel van de schaarse sociale huurwoningen die nog voor jonge mensen worden gebouwd zijn zelfstandige studio’s, want enkel woningen met een eigen voordeur komen in aanmerking voor huurtoeslag. Wanneer jonge mensen zich dan eindelijk door de lange wachtlijsten van de sociale huur hebben heengeworsteld, is hun salaris vaak te hoog geworden en belanden ze alsnog in de private huursector.
Voor jonge mensen wordt het ook steeds moeilijker huiseigenaar te worden. Doelbewust beleid op gentrificatie en het verkopen van sociale huurwoningen toverde de woningsector om tot een woningmarkt, waar stenen worden gezien als iets om in te investeren in plaats van om zelf in te wonen. De huizenprijzen stegen harder dan de toe te wijzen hypotheek, waarbij veel jonge kopers de toegang tot een koophuis langzamerhand werd ontzegd.
Belangrijk hierbij is dat de woonopgave niet alle jonge mensen op eenzelfde manier raakt. Een belangrijke factor in de keuzevrijheid om te wonen waar je wilt wonen, blijkt nu intergenerationele hulp te zijn, oftewel: het geld van je ouders. De afhankelijkheid van hulp in de vorm van een lening of gift vanuit familie groeit, en daarmee ook de klassenverschillen onder jongvolwassenen.
Keuze-onvrijheid in je (T)huis
Wat zijn nou precies de gevolgen van dit gebrek aan keuzevrijheid waar je wilt wonen als je jong bent? Om dit te illustreren zijn er twee groepen jongeren die ik graag wil uitlichten: een eerste groep die wel een woonruimte weg van het ouderlijk huis wist te bemachtigen, maar niet helemaal op hun plek zit; en een tweede groep die thuis woont ondanks het verlangen het samenwonen met hun ouders/verzorgers op te zeggen.
Betreft de eerste groep: het Nederlands Jeugdinstituut ziet dat de krapte op de woningmarkt in eerste instantie leidt tot (te) hoge huurprijzen voor (te) kleine kamers. Daarbij maakt de precariteit van de woningsector de relatie met de huurbaas inherent onevenwichtig, wat steeds vaker leidt tot onveilige situaties. Denk hierbij aan het niet durven vragen om hulp wanneer iets stuk of onveilig is, huisbazen die ongevraagd binnenkomen of anderen de sleutels geven van jouw woning, of verbaal agressief worden of dreigen je het huis uit te zetten, want voor jou tien anderen. Dit laatste voorbeeld leidde er bij mijzelf bijvoorbeeld toe dat ik maanden met een bloeiende schimmel in de muur bleef wonen.
Een tweede groep woont onvrijwillig langdurig in het ouderlijk huis, of keert later weer terug na al op zichzelf gewoond te hebben. Het niet kunnen vormgeven van een zelfstandig volwassen leven gaat vaak gepaard met schaamte en verminderd zelfvertrouwen, of een gevoel van stilstand in de bloei van je leven. Helaas kennen sociale huurwoningen lange wachtlijsten en er zit door de dure private sector niets anders op dan wachten.
In beide situaties leidt de huidige woningsector bij een deel van de jongeren tot mentale druk en veel frustratie. Veel jongeren bevinden zich in een chaotische huisvestingszoektocht [2], waarbij ze vaak verhuizen tussen formele en informele woningsituaties. Niet weten of je wel een woning kan vinden die bij je past, settelen voor een woonsituatie die niet fijn is of op z’n slechtst zelfs onveilig is, of van woning naar woning hoppen (al dan niet antikraak) omdat je nergens aan een vast huurcontract kan komen; alles is samen te vatten in een gevoel van onzekerheid.
De toekomst van de thuisloze generatie
We willen ons allemaal graag thuis voelen. Een veilig thuis draagt bij aan een stabiele basis in de rest van je leven. Een onzekere woonsituatie bestaat dan ook niet in isolatie: in het begin van je leven staan er een hoop dingen op losse schroeven. Heb je wel de juiste studie gekozen? Heb je vooruitzicht op een vast contract op je werk? De fase waarin je aanspraak maakt op de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis is voorbij, je wilt je vleugels uitslaan en een eigen leven opbouwen en ontplooien.
Het is daarom essentieel om jonge mensen te betrekken bij de oplossingen van de woonopgave. Het gaat niet enkel om het bouwen van tien nieuwe steden, maar om een vraagstuk van kwalitatief goed wonen. Hoe socialiseren jonge mensen zich in de eerste fase van volwassenheid en wat voor woonomgeving hebben ze daarvoor nodig? Het wordt tijd dat jongeren weer over hun ideale woonsituatie mogen dromen.
Meepraten over dit thema? Op dinsdag 3 november gaan we in gesprek met jonge pioniers en ervaren probleemoplossers. Meld je hier aan voor het programma, om 19:30 bij Pakhuis de Zwijger. Tot dan!
—
Meer lezen?
[1] Hoekstra, J., Haffner, M., & Boumeester, H. (2026). Generation Rent in the Netherlands: Why so many Dutch Young People Now Live in the Private Rental Sector. Critical Housing Analysis, 13(1), 71-86.
[2] Gentili, M., & Hoekstra, J. (2026). The Position of Young Adults on the Amsterdam Housing Market. Combining the Housing Pathway and the Capability Approach. Housing, Theory and Society, 43(1), 74-97.