Stadmaken meets public mediation

Een verslag van de 2e bijeenkomst van het leernetwerk Het Nieuwe Stadmaken.
Reageer

Op 15 februari 2018 vond de tweede bijeenkomst in het kader van het Leernetwerk  Het Nieuwe Stadmaken plaats. Tijdens het ochtenddeel hebben de deelnemende steden zich -samen met afgevaardigden van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; en de Hogeschool van Amsterdam- over de afzonderlijke leerplannen gebogen, om de casuïstiek, ambities en leerbehoeften per stad verder te specificeren. In het middaggedeelte vond een workshop Public Mediation plaats.

Vanuit verschillende steden was de behoefte uitgesproken om door te werken aan (een geüpdate versie van) het leerplan. In sommige gevallen hadden de steden namelijk te maken gehad met veranderingen in de casuïstiek. Zoals in Dordrecht, waar beide projecten die aan het Leernetwerk verbonden zijn (de broedplaats DOOR en de tijdelijke buurthuiskamer Het Vogelnest) eerder dan verwacht een nieuwe locatie moeten zoeken: “We leven tussen de regels door”, aldus Ifor Schrauwen van Het Vogelnest, ‘maar hoe zorgen we voor een professionele soepele overgang?’. Vanuit Lelystad kwam positief nieuws: de bijeenkomsten die de gemeente organiseert in de Zuiderzeewijk lijken vruchten af te werpen. Door het netwerk van initiatiefnemers in de wijk te versterken wordt versnippering tegengegaan.

Tegelijkertijd bood de ochtendsessie een moment om (samen en afzonderlijk) de leerbehoeftes en ambities op het gebied van de drie leerthema’s (coalities bouwen en co-creatie; wijkdemocratie en eigenaarschap) aan te scherpen, en zo verschillen en overeenkomsten tussen de steden te ontdekken. Roeselare en Den Haag gaven aan een grote uitdaging te zien in het bouwen van coalities met meer traditionele partijen: “Hoe krijg je een innovatief samenwerkingsverband met meer traditionele projectontwikkelaars tot stand?”, aldus Wouter de Spiegelaere (De Strategische Cel) en Ine Lobelle (Gemeente Roeselare). In Nijmegen ligt er vooral een opgave in het vroegtijdig betrekken van de burgers in de herontwikkeling van de wijk Dukenburg: hoe komen de oude bewoners tot het inzicht dat -hoewel behoeften nu vaak lijken te clashen met de belangen van nieuwe investeerders- deze twee groepen elkaar nodig hebben voor de toekomst van de wijk?

Hoe kan de meerwaarde van alle stakeholders inzichtelijk worden gemaakt, zodat de baten op een evenredige manier ten goede komen aan alle partijen die in het traject investeren?

Direct verbonden hieraan is het door vele steden uitgesproken punt van inzicht in waardecreatie, en het belang hiervan voor het vormen van een gelijkwaardige coalitie. Zoals Pauline van de Broeke aanstipt in Den Haag: ‘hoe kan de meerwaarde van alle stakeholders inzichtelijk worden gemaakt, zodat de baten op een evenredige manier ten goede komen aan alle partijen die in het traject investeren?’. Over de manieren waarop de maatschappelijke waarde van stadmakers inzichtelijk gemaakt kan worden, zullen we tijdens de aankomende Stadexpeditie naar Den Haag op 3 april 2018 dieper ingaan.

Daarnaast werd door steden als Nijmegen, Lelystad en Dordrecht de behoefte uitgesproken om meer inzicht te krijgen in de manieren waarop het zeggenschap voor burgers vergroot kan worden, ook over de financiën die beschikbaar zijn voor het gebied waarin zij actief zijn. Hoe kunnen bewoners in staat worden gesteld om de zorg van de gemeenschappelijke locatie onder hun hoede te nemen, en hoe is er een invulling voor deze rolverdeling te vinden die ook binnen de juridische kaders valt waar gemeenten zich aan moeten houden? Daar loopt stadmaker Sjaak Kruis (Stadmakerij) uit Lelystad nu nog vaak tegenaan:

Vaak is het een kwestie van taal. Wanneer je een project als dagbesteding bestempeld, moeten daar opeens zestien andere partijen betrokken bij worden. Dat komt de uitwerking van een initiatief niet echt ten goede.

Hierbij rijst de vraag wat dat voor een verandering betekent in de rol die gemeenten gewend zijn te spelen. Hoe moet de stap gemaakt worden van een zorgende naar een meer faciliterend en accommoderende gemeente? Dit lijkt een bredere systeemverandering binnen de gemeenten zelf te behoeven.

Public Mediation Workshop

De kern van het leernetwerk Het Nieuwe Stadmaken gaat over het vinden van manieren en alternatieven waarop stakeholders samen kunnen werken in het vormgeven van de stad. In de praktijk is samenwerking vaak een lastige opgave, en kan het soms zelfs uitlopen tot confrontaties en conflict. Alhoewel public mediation een methode is die ontwikkelt is voor het bemiddelen van conflicten, zou deze methodiek ook een geschikt kunnen zijn in het voorkomen van conflictsituaties tijdens coalitievorming. Daarom gaven Marc Rijnveld en Nadine Lodder –verbonden aan het Public Mediation Programme van de Universiteit van Amsterdam- een interactieve workshop in deze methodiek van het ‘publiek bemiddelen’.

Confrontatie of conflict is lang niet altijd een probleem. Door public mediation toe te passen, kan een nieuw inzicht in de belangen en standpunten van de betrokken partijen ontstaan, waardoor alternatieven voor een politiek besluit of een juridische procedure gevonden kunnen worden. Public mediation draagt bovendien bij aan de bewustwording van de complexiteit van het probleem: een conflict gaat nooit over enkel één geïsoleerd vraagstuk, maar over een wirwar van belangen, thema’s en stakeholders die allen interafhankelijk van elkaar zijn. Het inzichtelijk maken van de eigen standpunten, belangen en behoeftes –en van die van de ander- is dan ook van grote meerwaarde voor het verdere verloop van de samenwerking.

Om een beter inzicht te krijgen in het proces dat aan coalitievorming vooraf gaat, deden de deelnemers mee aan een rolsimulatie. Middels een interactief rollenspel werd er in kleine groepen onderhandeld over een bestemmingsplanwijziging in de herontwikkeling van een fictieve Oude Markthal in Rotterveen. Alle deelnemers kregen één van de zes verschillende stakeholders-rollen toegewezen (variërend van stadsdeelvoorzitter en projectontwikkelaar tot marktkoopman en bewoner), met toelichting van ieders sterk tot enigszins uiteenlopende belangen. In een drietal stemrondes moesten de deelnemers tot een akkoord zien te komen over de toekomst van de Oude Markthal, waarbij ten minste vijf van de zes partijen ‘voor’ moesten stemmen.

Niet alle groepen kwamen –door botsende belangen en onuitgesproken behoeftes- tot een akkoord. Daarom eindigde workshopleider Marc Rijnveld met het advies aan alle partijen om altijd een BATNA (‘Best Alternative To a Negotiated Agreement’) te formuleren voordat ze aan de onderhandeltafel gaan zitten. Want als je ook inzicht hebt in wat het beste alternatief is zonder de medewerking van een ander (mocht er geen akkoord bereikt worden tijdens de onderhandeling), kan je ook een meer realistische inschatting maken of je wel/niet akkoord wilt gaan met het voorstel dat uiteindelijk aangeboden wordt.