De Zwijger spreekt met… Bogomir Doringer

Over zijn langdurige kunstproject FACELESS dat gezichtsloosheid in de hedendaagse maatschappij onderzoekt, zijn PhD-project I Dance Alone over feesten als sociaal-politiek fenomeen, en over zijn inzichten over kunst en de sociale wereld.
Reageer

Bogomir Doringer, geboren in Belgrado, studeerde aan Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, studeerde cum laude af bij zijn Master aan de Filmacademie in dezelfde stad en is nu bezig met zijn PhD-project I Dance Alone.

Woensdag 22 mei is Bogomir aanwezig bij het evenement Urban Stories Don’t Look Now in Pakhuis de Zwijger, waarin creatieve makers praten over trackingstechnologie, privacy en de toekomstige surveillance maatschappij.

Hey Bogomir! Wie ben je en wat doe je?
“Ik ben Bogomir Doringer. Ik ben een kunstenaar en ik heb altijd een interesse gehad in interdisciplinaire benaderingen en onderwerpen die zich verhouden tot groepen mensen. Het fascineert me enorm te onderzoeken hoe sociale en politieke veranderingen in de maatschappij zich manifesteren in mensen en hun lichamen – al besefte ik me pas later hoe belangrijk lichaam is voor mij en mijn werk.”

Hoe is die interesse ontstaan?
“Toen ik aan het begin van het millennium als Servische migrant naar Amsterdam kwam, voelde ik me verloren. Iedereen leek compleet afgesneden van wat ze echt dachten en voelden – alles was altijd rationeel. Het was in de tijd dat Theo van Gogh werd vermoord en discoursen over terrorisme en de aanval op Westerse waarden opkwamen in de maatschappij. Onderwerpen als de Islam en boerka’s stonden in het midden van het publieke debat. Ik kon niet precies vatten wat er speelde omdat ik net nieuw in het land was, maar ik herkende de Islamofobische tendens die ook speelde in het Joegoslavië waar ik vandaan kwam. Ik raakte gefascineerd met de vraag wat het verbergen van het gezicht doet voor mensen en groepen mensen. Ik kwam er snel achter dat ik niet de enige was. Daarom startte ik in 2007 het project FACELESS dat meer dan honderd creatieve geesten bij elkaar bracht en vanaf 2013 een reizende tentoonstelling werd van verschillende makers. In Amsterdam exposeerden we in Mediametic in 2014, het maakte deel uit van de Conference on Computers and Data Protection (CPDP) vanaf 2015, en sinds 2018 het werk is ook gebundeld in een boek.”

Wat is faceless zijn voor jou?
“Denkend dat ik een kunststudent was, werd ik constant herinnerd aan mijn migranten-identiteit en hoe het systeem me daarin probeerde te duwen. Als je bijvoorbeeld niet mag werken, word je bijna direct in de richting van illegaal werk gewezen. Ik paste niet bij het systeem, ik vulde dezelfde ruimtes als de anderen, liep in dezelfde straten, maar ik paste niet. Daardoor voelde ik me gezichtsloos. Ik zie dit vaker bij migranten, ofwel ze proberen hun kracht te vergroten en focussen zich bijvoorbeeld enorm op hun opleiding, of ze beginnen zichzelf te verstoppen en gaan zich expres anders gedragen om een eigen groep te vinden.”

Welke thema’s inspireerden je nog meer in je werk?
“Belangrijk was natuurlijk dat met de opkomst van het internet, beelden heel makkelijk konden worden geüpload, herhaald, verspreid en in verschillende contexten konden worden geplaatst. Daardoor kon je een explosie van gezichtsloosheid in verschillende richtingen waarnemen. Ook waren het de tijden van Snowden en Assange, kwam het thema van spionage op, en werd na 9/11 een collectieve angst in de Westerse samenleving gecreëerd. Dat heeft er voor gezorgd dat surveillance steeds meer werd geaccepteerd. Mensen zijn zich er niet genoeg van bewust dat het  vooral werkt om ons te controleren en ons dingen te verkopen en niet eens zo zeer om ons te beschermen tegen geweld. Ik vind het ook vrij bizar dat mensen nu zo in paniek zijn over fake news, want in realiteit is de media altijd enorm gemanipuleerd geweest. Het is nu misschien duidelijker dat de waarheid vaak niet de waarheid is, maar ik denk dat dat altijd zo is geweest.”

Hoe denk je dat de kunstwereld invloed heeft op deze maatschappelijke vraagstukken en thema’s?
“Tien jaar geleden werd het nog ontzettend lame bevonden om politiek te zijn, terwijl je ziet dat nu opeens alles politiek is. Wat ik interessant aan kunst vind, is dat het een plek biedt om te experimenteren en tot iets nieuws te komen. Je kan spelen met identiteit, relaties, materialen. Kunstprojecten kunnen veranderen wie je bent en hoe je denkt, hebben iets meditatiefs en therapeutisch, en kunnen zelf-transformerend zijn. Ik vind het interessant om te onderzoeken hoe technologie en politiek onze fysiek reguleren; hoe we ons gedragen, hoe we bewegen, hoe we ons voelen. In mijn PhD-project I Dance Alone ben ik daar bijvoorbeeld ook mee bezig door feesten van bovenaf te filmen. Mijn vraag is of je sociaal-politieke veranderingen kan waarnemen in een dansende groep mensen. En politiek is inderdaad te zien. In tijden van bomaanslagen werd er als protest gedanst in Belgrado, en nu zie je bijvoorbeeld anti- fascistische-, brexit-, en klimaatdansfeesten. Er is meer aandacht voor het uitbannen van seksuele intimidatie en racisme op de dansvloer. Daarnaast is kunst een sterke manier om verhalen te vertellen aan onze kinderen, aan onze vrienden en anderen.”

Wat zijn de uitdagingen in je werk?
“Een eis die ik aan mijn projecten stel is dat het begrijpelijk en interessant moet zijn voor zo veel mogelijk mensen. Dus als ik het erover heb, moeten zowel mijn buren, mijn oma, als mensen uit verschillende professionele achtergronden zoals de zorg, biologie, economie, etc. kunnen volgen waar ik het over heb. Ik visualiseer mijn publiek altijd als een mix van mensen; een mengelmoes van verschillende groepen. Een belangrijke parameter voor mij is ervoor te zorgen dat mijn werk voor die diverse groep relevant is en relevant blijft voor een langere periode. Mede daarom heb ik een sterke voorkeur voor langdurige projecten in plaats van gehaaste producties en betrek ik graag allerlei experts die op hun eigen manier de thema’s benaderen waar ik mee werk. Ik vertrouw nooit alleen op mijn eigen observaties, maar bevraag die observaties in het onderzoeksproces.”